Vraagwinkel

De Vraagwinkel is een van die typische Biekorf-rubrieken, die al decennialang de lezer prikkelen. “Wat je in ‘de vraagwinkel’ (…) aan merkwaardigheden aantreft, is effenaf onthutsend en levert driemaandelijks het onomstotelijke bewijs dat de menselijke nieuwsgierigheid geen grenzen heeft.” Dat zei professor Romain Van Eenoo in zijn lofrede bij de 100ste jaargang van Biekorf toen hij het had over de originaliteit en de uniciteit van Biekorf (jg. 2000, p. 301).

Niet enkel uit nieuwsgierigheid van de vraagsteller, maar ook als bindmiddel met de Biekorf-abonnee. De Vraagwinkel biedt een platform voor wie vastzit in zijn onderzoek of voor wie op iets gebotst is waarover hij zich vragen stelt. De rubriek roept op tot het delen van de eigen kennis door een rechtstreeks appel tot de lezer.

Met behoorlijk succes. Door de band genomen krijgt zowat één vraag op drie een antwoord. Vaak onmiddellijk, maar soms ook pas decennia later. Soms heel kort, in andere gevallen als een artikel op zich. Soms van lezers die voor het eerst in de pen kruipen om een antwoord te formuleren. Op die manier zorgt Vraagwinkel voor een ongeziene interactie tussen een tijdschrift en zijn lezers.

Hebt u een vraag voor Biekorf of weet u het antwoord op een van de gestelde vragen, aarzel dan niet en mail naar ludo.vandamme@telenet.be. Biekorf kijkt uit naar uw vragen en/of uw antwoorden!

  • Kalkoven in Noordschote

    Vraagwinkel 2024-3

    In 1579 haalde de stad Oostende diverse schepen met kalk bij Jaspar Vergoote in Noordschote (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Rekenkamers, 37.402, stadsrekening Oostende 1 april 1579 – 31 maart 1580, f. 37r.). Dit kon relatief vlot gebeuren via de Ieperlee. Toch is het merkwaardig dat de stad zo ver op zoek ging naar kalk. Had Jaspar Vergoote in die jaren een speciale reputatie met zijn kalkoven? Zijn er andere steden die deze grondstof daar bestelden? Was de ondergrond van Noordschote speciaal geschikt voor de productie ervan? (KV)

  • Slingermes

    Vraagwinkel 2024-3

    Magdalena Coene werd in 1555 aangevallen door haar man en verwond met een slynghermesken (Brugge, Stadsarchief, Schouwboek, 1554-1584, f. 10). Maar wat is een slingermes? (PDB)

  • Boterverkoopsters

    Vraagwinkel 2024-3

    De verkoopstallen in het stedelijke boterhuis in Brugge werden in het ancien régime exclusief door vrouwen gehuurd. Wat maakt het verkopen van boter in die tijd tot een vrouwelijk beroep? En geldt dat ook voor andere steden? (B.)

  • De Brugse watermolen

    Vraagwinkel 2024-3

    Galbert spreekt in zijn dagboek over de moord op Karel de Goede in 1127 over de watermolen aan de Molenbrug in Brugge, dus op de eerste omwalling. Dit is een van de oudste vermeldingen van een watermolen in Vlaanderen. Is ook bekend wat er verder van die molen geworden is en wanneer die watermolen daar in onbruik is geraakt? Zijn er iconografische bronnen bewaard? En is de watermeulen in stadsbezit met aanpalend de stedelijke blekerij (der steden bleeckerije) die wordt vermeld in de 16de-eeuwse stadsrekeningen, de opvolger van de molen aan de Molenbrug? (LV)

  • Lithograaf Emmanuel-Joseph Vanderghinste

    Vraagwinkel 2024-3

    Emmanuel-Joseph Vanderghinste werd geboren in Kortrijk op 11 maart 1795. Toen hij op 12 juli 1833 met Amélie Van Lerberghe trouwde, gaf hij als beroep musicien op. Bij zijn overlijden op 12 februari 1855 stond hij bekend als lithograaf. In de porseleinkaartenverzameling van Liberas vinden we 45 kaarten uit zijn atelier, waarvan de huwelijkskaarten dateren van 1843-1844. Hij woonde in de Rue de Tournai in Kortrijk. Zijn zoon Ferdinand zou vanaf 1866 in Ieper uitgever worden van de katholieke kranten Journal d’Ypres en Nieuwsblad van Yperen en het Arrondissement. Is er meer bekend over deze lithograaf, waarvan beweerd werd dat hij als porseleindrukker een internationale reputatie genoot? (KV)

  • T’Onser vrauwe te Miren

    Vraagwinkel 2024-3

    In de middeleeuwse lijsten van strafbedevaarten van Aalst en Gent staat T’onser Vrouwen te Miren ten Roodenberghe. Het corresponderende bedrag werd uitgedrukt in schellingen, wat wijst op de relatieve nabijheid van deze bedevaartsplaats. In de literatuur wordt gedacht aan Onze-Lieve-Vrouw van Aardenburg. Maar waarvoor staat Te Miren? (Peter De Baets)

  • Lamotius en Ieper

    Vraagwinkel 2024-2

    Johannes Lamotius en zijn zoon Isaac Johannes speelden een rol in de overzeese handelsexpansie van de Verenigde Provinciën tijdens de 17de eeuw. Johannes ging als militair in dienst van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) en verbleef onder meer op Formosa (het huidige Taiwan). Isaac Johannes was commandeur (‘opperhoofd’) van Mauritius. Van hem bleef een mooie verzameling ingekleurde tekeningen van ‘zeedieren’ (vissen, kreeften en krabben) bewaard. De familie Lamotius in de 17de-eeuwse Noordelijke Nederlanden heeft wellicht Ieperse roots. Is daar iets over bekend? (B)

  • Belladonna als doping

    Vraagwinkel 2024-2

    Volgens Frans De Brabandere verwijst de vermelding schoone vrouwe in een reglement van de schuttersgilde van Westkerke uit 1628 naar de plant belladonna (wolfskers). Deze giftige plant werkt onder meer als spierontspanner en kan beven verminderen. Kan het zijn dat de Westkerkse schutters belladonna als doping gebruikten? Zo ja, was dat uniek of kwam dat nog voor in schuttersgilden of bij andere activiteiten uit die tijd? (K.V.)

  • Steenbakkers uit Verlinghem

    Vraagwinkel 2024-2

    De trappistenabdij op de Katsberg werd gesticht in 1826; de eerste monniken namen oorspronkelijk hun intrek in het leegstaande klooster en de school van de broeders Antonijnen. Kort daarop nam de bouw van een nieuwe abdij een aanvang, waarbij de bakstenen ter plaatse werden gebakken, door steenbakkers uit Frelinghien (Verlinghem), een kleine plaats langs de Leie, op de Frans-Belgische grens, tussen Houplines en Deûlémont. Was Frelinghien bekend om zijn steenbakkers en zo ja, zijn er andere plaatsen bekend waar ze actief waren? (B.)

  • Een bezitsmerk van Franciscus Nansius

    Vraagwinkel 2024-2

    Het exemplaar van de Katholieke Universiteit Leuven van een boekje waarin het Grieks, gebruikt door Cicero, wordt toegelicht, samengesteld én gedrukt in 1557 in Parijs door Henri Stephanus, was oorspronkelijk in bezit van de Brugse humanist Franciscus Nansius. Merkwaardig is de vermelding “et amicorum” en vooral dat deze vermelding in de plaats kwam van een andere vermelding die werd geschrapt. Wat zou daar oorspronkelijk gestaan kunnen hebben? Is meer bekend over Nansius’ bibliotheek en over het gebruik, in navolging van onder meer Jean Grolier en Marcus Laurinus, van de vermelding “et amicorum”? (LV)